Cantuva, het vocaal ensemble uit de Belgische druivenstreek.
IN DE KIJKER
Concert Requiem FAURE
Jos Stroobants (verteller)

Jos Stroobants (1948) studeerde sociologie en wijsbegeerte aan de K.U.Leuven en is verbonden aan de rectorale diensten van deze universiteit. Hij is tevens dichter, regisseur, concertleider en muziekadviseur, waarvoor hij verschillende keren in de prijzen viel.

29 en 30 November 2013 en 1 december 2013 , Exodus "Israel in Egypt"
EXODUS
Een inleiding anno 2013

"Wat heb ik dan gedaan? Ik heb geluisterd. Naar het morren en het klagen en de onderdrukte opstandigheid van mijn volksgenoten. Én naar een stem van vuur die mij van binnenuit verteerd heeft . . . We gingen weg dus. Toen. Het leek simpel, maar niemand wist waarheen. De noodzakelijke dwaasheid waarop geschiedenis een patent lijkt te hebben."

Mozes heette hij. Of Mosje in het Hebreeuws, Mòysès in het Grieks, Moses in het Latijn, Moesa in het Arabisch. . . een legende. Was hij een oproerkraaier, een dwaas, een technicolor held, een bevrijder, een fundamentalistisch religieus bezetene, een mysticus,. . . ? We weten niet eens of hij echt bestaan heeft, maar zowel de Bijbel als de Koran bouwen een indrukwekkend verhaal van hoop op hem. Een verhaal dat elke geschiedenis ver overstijgt en aanspraak maakt op eeuwigheid. Of, nog sterker: op geloofwaardigheid voor ons vandaag. Alleen koppige blinden zien de gelijkenissen niet: tirannie, uitbuiting, vernietiging, vluchtelingen, woestijnen van honger en ellende, de machtigen op hun tronen van goud, de armen in hun alledaagse wanhoop, . . .

En dan zijn er ook de liederen daarover, die van toen en gisteren en vandaag, en ongetwijfeld ook van morgen: de psalmen, de litanieën, de koralen, de reformatorische en contrareformatorische oratoria, de rode strijdliederen, het ultramontaans gejubel, de partisanen zangen, het sensuele klagen van zowel de fado als de rebetika en de blues, het net-niet-zwijgen binnen de muren van de vernietigingskampen, de illusies van de hippies, het geweld van rock, de machteloze opstandige chaos van de dancings, . . .

En dan vandaag: wij - met Händel's visie schaamteloos naast oude Hebreeuwse psalmen, en een profetische stem van nergens en overal. Voor wie kan luisteren. Het ware verhaal begint altijd binnenin.

Jos Stroobants

EXODUS

I.

Ik. Mozes. Of: Mosje in het Hebreeuws, Mòysès in het Grieks, Moses in het Latijn, Moesa in het Arabisch, . . . En overal een legende geworden. "Legende": wat moet gelezen worden, voorgelezen, verteld, gezongen, telkens en telkens weer.

Ik, Mozes, niet geboren, maar: gevonden. Dat leerde men mij al vroeg: gevonden, drijvend in een biezen mandje, en uit het vruchtwater van de Nijl gered ten leven. "Heil zij mijn redders." Zo dacht ik jarenlang. Als welopgevoede jongeman weet men weinig. En er zijn zoveel farao's om ons heen. Tót ik zág. Tot ik hoorde. Tot op vandaag.

Ik zie: het onrecht. Het onrecht dat door de weinigen wordt gedaan, door de beterweters. Zíj leggen hun scheefgetrokken recht op als slavernij, als geïnstitutionaliseerde uitbuiting, als hun piramidaal grootste gelijk, als hun betonnen structuren . . . Zij: de goden van het duister, de afgoden die doof zijn voor het waarachtig lied. Hun naam is: Kaïn.

Ik hoor: het klagen. Het klagen van de velen, van het vee van de geschiedenis. Ik versta het verloren uitzicht van die armen, de nietigen, de vluchtigen en vluchtelingen. Ik heb weet (mijn schuldig weten) van degenen die niets zijn, die niet zijn, de lange stoet van slachtoffers en geslachte offers voor de on-goden, hun monden dichtgeslagen, hun onmondigheid in wetten vastgelegd. Maar: die mijn broeders zijn. Hun naam is: Abel.

En toen ik dan was geworden: een ziener, een hoorder, een verstaander, toen ben ik opgestaan, en heb gesproken. Toen ben ik - eindelijk - geboren. Ik, Mozes.

II.

Deze liederen: dankliederen, zegenliederen, feestliederen, maar meer nog: klaagliederen. Tot op vandaag. Eindeloze refreinen van in muziek gegoten vergezichten, maar ook tranenlitanie‘n om verloren have en goed, niet te verdragen verdriet om vermoorde mannen, uitgehongerde kinderen, verkrachte vrouwen. Verkeerde doden, verkeerde levenden. Doorheen de dagen, doorheen de nachten: de liederen. Wie hoort ze?

Ík heb ze gehoord, en ik ben opgestaan. Hier sta ik, en ik zie het vuur dat brandt in de verschoppelingen, een vuur van verlangen. Ik zie het branden in de velen: in daklozen en hongerlijders, in verjaagden zonder (of met de verkeerde) papieren, in de angstogen van de weinig overblijvende bootvluchtelingen, in allen die wij liever zien in de dérde wereld, de vierde, de vijfde, de tiende, de honderdste wereld - als het maar de onze niet is. Ik zie het vuur als van een struik die brandt en niet opbrandt, als een vuur van stemmen in mijn hoofd en mijn hart, als een vuur dat mij niet verbrandt maar verlicht, dat mijn tong in lichterlaaie zet.

Tot de weinigen móet ik spreken, dat machtige zootje van pretentie: tot de koningen en de farao's, de presidenten en de generaals, de financiële goeroes en de grootgrondbezitters, de hogepriesters en de mediamagnaten, heel de eeuwenlange coalitie van uitbuiters en onderdrukkers.

Ik móet spreken omdat ik niet anders kan bij wat ik zie en hoor. Ik móet spreken, met een hakkelende tong van verontwaardiging en medelijden, van verantwoordelijkheid en heilige woede. Enkel deze ene zin: "Zo spreekt door mij de Enige, hij die altijd is, altijd zal zijn stem van vele stemmen: 'Laat mijn volk gaan naar zijn geluk.' "

En zij, het duivelsgebroed, zij zeggen: "Nee. De Enige bestaat niet. Slechts w’j bestaan." En zie: onheil stapelt zich op onheil, dood op dood. De dagen worden zwart als de nacht, en de nachten ontploffen tot helse vuren. Enkel het hoongelach van de weinigen klinkt boven alles uit.

III.

En onheil stapelt zich op onheil, dood op dood. Kijk om je heen, en zie, en versta. Raakt het de machtigen, de weinigen, even diep als de machtelozen, de velen? Ha . . .! We geloven toch niet in sprookjes? Wie gooit de bommen, wie de granaten? Wie doodt de kinderen van wie? Wie zendt rivieren van bloed door het land? Wie verdient het grote geld op de rug van wie? Wie zijn die kwakende kikkers die de afgoden van het onrecht verzinnen? Wie bepaalt wat recht is en wat krom is?

Maar hoor, zo zingt het in ons: Er moet een land zijn als een oceaan van recht, waar de aarde behoort aan wie er op leven, waar de kinderen van onze kinderen andere mensen zullen zijn, in vrede gedragen op de arendsvleugels van hun dromen. D‡t gezongen land blijft ons wenken, en dat lied is het lied van de Enige. En zo gaan we, doorheen droog gewaaide zeearmen, doorheen woestijnen van honger en dorst. Weg van de vleespotten, vechtend tegen alles wat dood veroorzaakt, alles wat dood in stand houdt.

Hoe ver ligt dat land? Wie toont ons de wegen? We leerden: gaande de weg, ontstaat die weg. Niet anders. Met het water dat we uit de rots slaan, met het vuur dat ons voorgaat in de nacht, met het voedsel dat ons in handen viel, . . . zo groeit de Stad-van-Vrede. Niet anders. Slechts wanneer we ons aan elkaar verplichten omwille van de vrijheid, ontstaat de vrijheid. En zij zal, als op stenen tafelen gegrift, in ons hart geborgen liggen. En dus blijven we op weg gaan. Het lijkt simpel, maar niemand weet precies waar die weg ligt. De noodzakelijke dwaasheid waarop geschiedenis een patent lijkt te hebben. Maar toch:

Pas zo zullen we thuis komen, pas zo zal wat we zaaiden onder onheilswolken, voedende oogst voor morgen zijn. En wij zullen leven. (Psalm 126)

IV.

En nu? Hoe klein sta ík, Mozes, hier voor jullie met al mijn grote woorden! Hoe schamel staan w’j hier vóór jullie met onze liederen, vol - onszelf overtuigend maar stamelend - geloof. Of zoiets. Brengen wij aarde aan de dijk?

Hóór: Eens kwam een rebbe de kamer binnen waar zijn zoon in diep gebed was verzonken. In de hoek stond een wieg. Daarin huilde een kind. En de rebbe vroeg: "Hoor je dan niet hoe het kind huilt?" En de zoon antwoordde: "Vader, ik was in de Allerhoogste verzonken." Waarop de rebbe zei: "Wie in de Allerhoogste is verzonken, ziet zelfs de kleinste vlieg op de muur." (Abel Herzberg)

Zelfs in ons mooiste lied moet heel de wereld zichtbaar blijven. Heel die verschrikkelijke, grootse, beloftevolle, in lijden geklonken en tot opstaan bestemde wereld van ons: hij moet onze eerste zorg zijn. Al onze aandacht is hij waard, al onze liefde moet aan hem en al zijn mensen besteed zijn. Wij zijn elkanders toekomst. Wíj zijn de handen en de voeten, de roepstem en de zegengebaren van de Enige.

Laat dit dan zo'n plaats zijn, hier en nu, waar we in een taal van muziek en poëzie, van beelden en dromen, de Enige durven ter sprake brengen. Ooit zei iemand, smalend: "De Enige? Dat is toch alleen maar iemand die we construeren uit ons gemis en ons verlangen?" En toen zei een ander: "Ja, maar dat is zo omdat die Enige ons zo gemaakt heeft". (Piet Kuiper)

V.

"Jij, o Enige," - zo gaan we dadelijk zingen - "jij zult ons binnenleiden, ons planten in het hooggebergte van jouw erfgoed, in de plaats die je voor jezelf bestemde, die je bouwde tot jouw heiligdom vol schittering." (Exodus 15:17)

Is dat zo? En wat wil dat zeggen? Wie antwoordt?

Ik, Mozes? Ik, niet geboren, maar: gevonden, en uit het vruchtwater van de Nijl gered ten leven. Door het onblusbaar vuur geworden tot de hakkelende spreekbuis van de Enige. Ik, Mozes, ziener van wat is, hoorder van een hoger woord dan ikzelf. Ik, Mozes, opstandeling omwille van wat komen móet, roeper in de woestijn, tussen weten en wet heen en weer geslingerd, gids die nooit is aangekomen in dat - o zo begeerde - land van beloften achter de horizon van ons verlangen, ultieme geborgenheid... Níet dus. Niet? - Dus?

En toch . . . Kan ik anders dan zeggen: "en tóch . . ."? Ik weet toch dat de reis, deze durende exodus, belangrijker is dan het aankomen? De reis, én wie ik daar doorheen geworden ben: de broeder van mijn broeders, tochtgenoot. Kan ik anders dan zeggen en zegenen: "Jullie, mijn broeders en zusters, waarin de Enige zichtbaar wordt. Jullie, waarin hij hoorbaar wordt. Blijf roepen en zingen, stemmen doorheen stemmen gevlochten: 'Waar is het land? Waar is het licht?' Neem elkander mee. Leidt elkaar binnen, wijzend op de hoge bergen rondom jullie, in de plaats die jullie bouwen, tijd na tijd na tijd, en waar hij zal wonen, de Enige, die was, en is, en altijd zal zijn - in ons."

Geschreven in opdracht van de koren Carmina en Cantuva, en de Chapelle de Lorraine als gesproken recitatieven in Händel's oratorium "Israel in Egypt".

Jos Stroobants
september 2013

TOP

 © webstek laatste wijziging: 16-07-2017 10:01:13. Neem gerust contact op met de voorzitter of stuur uw vraag naar info@cantuva.be
117 pagina's op het web gevonden, geen verbroken verwijzingen.